Eindtermen
De kandidaat dient:

A. Op grond van gebleken theoretische en praktische kennis over brandpreventie, in staat te zijn tot het zelfstandig uitvoeren van brandpreventiewerkzaamheden.


B. Kennis te hebben van het verschijnsel brand, brandoorzaken, brandgedrag van (brand)stoffen, branduitbreiding en rookverspreiding.


C. Kennis te hebben van de samenhang tussen de verschillende wetten, besluiten, voorschriften, regelingen en normen die op de (bouwgerelateerde) brandpreventie betrekking hebben.


Besluit bouwwerken leefomgeving

D. Kennis te hebben van de brandveiligheidsvoorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en Ministeriële Regeling. Hiermee wordt bedoeld: de doelstellingen van de brandveiligheidseisen, integraal en in samenhang met de gehele set aan voorschriften.


E. Kennis te hebben van de functionele achtergronden bij bepalingsmethoden en verschillende bepalingsmethoden te herkennen (rekenmethode en testmethoden). De uitwerking van de bepalingsmethoden (globaal) te beschrijven voor zover dit voor de beoordelingspraktijk van belang is. Voorts het globaal beoordelen van de toepasbaarheid van testrapporten en certificaten.


F. Kennis te hebben van de doelstellingen van installatietechnische brandbeveiligingsvoorzieningen. Globale kennis te hebben van het certificeringsschema met betrekking tot brandbeveiligingsvoorzieningen (CCV-schema) en de status van deze regelingen.


G. Kennis te hebben van brandveiligheidsliteratuur in relatie tot gelijkwaardigheid.


H. De eisen op brandveiligheidsgebied gebaseerd op de prestatie-eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving te kunnen toepassen, bij:

  • a. Woning- en utiliteitsbouw;
  • b. Gebouwen en verschillende (hogere) bezettingen;
  • c. Het gelijkwaardigheidsprincipe van verschillende aspecten van de brandveiligheidsvoorschriften.

Kennis te hebben van gebruiksbepalingen in verschillende situaties, mede in relatie tot de zogenaamde BIO (Bouwkundige, Installatietechnische, Organisatorische) maatregelen.


Voor de toetsterm is aangegeven op welke eindterm de betreffende heeft. Achter de toetsterm is het niveau waarop gevraagd kan worden aangegeven.

De kandidaat:

A1. Kan bouwkundige tekeningen van een gebouw lezen en interpreteren (T);

A2. Kan preventieve brandveiligheidsvoorzieningen beoordelen (T);

A3. Kan bouwkundige en installatietechnische voorzieningen bepalen (T).


B1. Kent de facturen van de branddriehoek en hun rol bij het verbrandingsproces (K);

B2. Kent de verschillende brandstadia en het verschil tussen brandstof- en ventilatie beheerste branden (K);

B3. Kent de begrippen vuurbelasting en verbrandingswaarde (K);

B4. Kent de principes van de warmtetransportmechanismen (K);

B5. Kent het principe van het pyrolyseproces (K);
B6. Kent de gevaren van rook en rookverspreiding (K);

B7. Ken het begrip brandrisico verklaren en voorbeelden van brandveiligheidsmaatregelen geven (K).


C1. Kent de opbouw van de bouwregelgeving en de samenhang tussen (K):

  • Woningwet;
  • Wabo (inclusief BOR en MOR);
  • Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • NEN(-en) normen;
  • NPR richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

D1. Kent de structuur en opbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (K);

D2. Kent de twee brandveiligheidsdoelstellingen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (K);

D3. Heeft kennis van brandveiligheidsvoorschriften en de achtergronden uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (K en I).


E1. Kent de verschillende verschijningsvormen van bepalingsmethoden (K);

E2. Ken de verschillende normen verdelen in de drie deelgebieden (ontwerpnormen, beproevingsnormen en berekeningsnormen) (I);

E3. Kan bij elk deelgebied een voorbeeld geven (I);

E4. Heeft globale kennis van de inhoud en achtergrond van de door het Besluit bouwwerken leefomgeving en Ministeriële Regeling aangestuurde brandveiligheidsnormen (K en I). Dit zijn onder andere:

  • NEN 6068;
  • NEN 6069;
  • NEN 6090;
  • NEN-EN 13501-1;
  • NEN 2535;
  • NEN 2555;
  • NEN 2575;
  • NEN 2654;
  • NEN 6088;
  • NEN-EN 1838;
  • NEN 1594

E5. Kan globaal de hoofdbegrippen uit de brandveiligheidsnormen herkennen en verklaren (I);

E6. Kan een testrapport/certificaat lezen en beoordelen met betrekking tot toepasbaarheid (I en T);


F1. Kan de doelstelling en werking van relevante installaties beschrijven (K en I). Dit zijn onder andere:

  • Installatie ten behoeve van het sluiten of ontsluiten van deuren;
  • Brandmeldinstallatie;
  • Ontruimingsalarminstallatie;
  • Automatische blusinstallaties (sprinkler, watermist en gas);
  • Rookbeheersingssystemen;
  • Brandweerlift;
  • Droge blusleiding;
  • Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding;
  • Brandslanghaspels en draagbare blustoestellen.

F2. Heeft kennis van de samenhang / onderlinge beïnvloeding van deze installaties (K en I).

F3. Heeft globale kennis van het inspectieschema voor BMI, OAI, RWA en blusinstallaties en relevantie ten opzichte van het Besluit bouwwerken leefomgeving (K).


G1. Heeft globale kennis van de inhoud, methoden en positie van onder andere (K en I):

  • Basis voor brandveiligheid van het IFV;
  • Methode beheersbaarheid van brand 2007 en NEN 6060;
  • NEN 6079;
  • NEN 6098;
  • Model IBB.

H1. Kan een gebouw toetsen op basis van de prestatie-eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en Ministeriële Regeling (K, I en T).

H2. Kan op hoofdlijnen gelijkwaardige oplossingen beoordelen (I en T). Dit zijn onder andere de volgende gelijkswaardigheidsprincipes:

  • Vergroten van brandcompartimenten;
  • Verlenging van loopafstanden;
  • Vergroten van het aantal personen;
  • Installatietechnische voorzieningen in plaats van bouwkundige;
  • Organisatorische maatregelen in plaats van bouwkundige.

H3. Heeft kennis van de gebruiksvoorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en kan deze toepassen (K, I en T).

H4. Heeft kennis van de samenhang van de verschillende BIO voorzieningen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (K en I).